Het gemiddelde bedriegt: waarom debiteurenrisico in 2026 een sectorvraagstuk is geworden
Wie de economische cijfers tot en met juli 2026 naast elkaar legt, stuit op een paar uitersten die op papier niet lekker matchen.
Aan de ene kant was daar de maand juni: 302 failliet verklaarde bedrijven en instellingen, eenmanszaken meegerekend. Twaalf minder dan een jaar eerder en dus een daling van 4%. Sinds het najaar van 2024 wijst de trend licht naar beneden. Geen vuurwerk aan de onderkant, zou u denken.
Al schuiven onder dat totaal twee groepen langs elkaar heen. Het aantal failliete BV's en instellingen daalde van 281 naar 260. Het aantal eenmanszaken liep juist op, van 33 naar 42, ruim een kwart meer. De daling van vier procent zit dus volledig bij de rechtspersonen. De kleinste ondernemers bewegen juist de andere kant op.
Duikt u in dezelfde CBS-maandcijfers naar de onderliggende sectoren, dan slaat het beeld om. Vervoer en opslag noteerde in diezelfde maand 39,2 faillissementen per honderdduizend bedrijven. Een jaar terug waren dat er nog 12,1.
Beide cijfers kloppen. En precies dat gapende gat, tussen het geruststellende landelijke gemiddelde en de keiharde sector-uitschieter, is de realiteit waar credit managers dit jaar mee te maken hebben.
Een economie die schuurt, maar niet overal even hard
Op hoofdlijnen oogt het tweede kwartaal prima. Het bruto binnenlands product steeg volgens de eerste berekening van het CBS met 0,4% ten opzichte van het eerste kwartaal, dat zelf werd bijgesteld van 0,2 naar 0,3%. De consumptie door huishoudens (+0,5%) en de overheidsconsumptie droegen daar het meest aan bij. Huishoudens gaven vooral meer uit aan auto's en aan voedings- en genotmiddelen.
Kijkt u een niveau dieper, dan ziet u een grillig landschap. De sterkste groei zat bij handel, horeca, vervoer en opslag (+1,8%) en bij de industrie (+1,5%), die daarmee terugveerde uit een krimp van 2,1% in het eerste kwartaal. Daartegenover staat een bouwnijverheid die voor het tweede kwartaal op rij wegzakt (−0,8%, na −1,1%). Ook energiebedrijven (−3,5%), delfstoffenwinning (−5,2%) en financiële instellingen (−1,1%) moeten een stap terug doen, al stonden energiebedrijven en financiële instellingen in het eerste kwartaal juist nog in de plus.
Kijkt u naar de investeringen, dan wordt de onderstroom pas echt zichtbaar. Die zaten in mei 3,8% onder het niveau van een jaar eerder, na 3,3% krimp in april. De hardste klappen vielen in gebouwen, infrastructuur en machines. Precies de posten waaraan u afleest of ondernemers nog ergens in geloven.
Twee kanttekeningen, want dit cijfer wordt vaak te stellig gelezen. Het is niet gecorrigeerd voor werkdagen, en mei 2026 telde er twee minder dan mei 2025. En in de kwartaalrekeningen over Q2 stegen de investeringen in vaste activa juist met 0,5% ten opzichte van Q1. Twee cijfers, twee methodes: het maandcijfer vergelijkt met dezelfde maand vorig jaar, het kwartaalcijfer met het vorige kwartaal. Wie alleen het maandcijfer citeert, vertelt het halve verhaal.
De economie groeit dus, maar de groei is smal en ongelijk verdeeld.
Waar de druk zich ophoopt
Die terughoudendheid landt niet overal even hard, zo laten de faillissementscijfers zien. En hier wordt het technisch even precies. Gecorrigeerd voor zittingsdagen daalde de faillissementsgraad van 8,6 naar 8,1, dat is het cijfer dat de krantenkoppen haalde. Vergelijkt u op dezelfde basis als de sectorcijfers, dus ongecorrigeerd, dan liep hij juist op van 8,0 naar 9,3. Welk cijfer u pakt, bepaalt of dit een dalend of een stijgend jaar is. En onder beide cijfers zitten verschillen die er niet om liegen:
| Bedrijfstak | Faillissementsgraad (juni 2026) | Een jaar eerder |
| Vervoer en opslag | 39,2 | 12,1 |
| Industrie | 32,7 | 16,7 |
| Bouwnijverheid | 19,0 | 13,4 |
| Totaal (alle bedrijfstakken) | 9,3 | 8,0 |
(Faillissementen per honderdduizend bedrijven. Niet gecorrigeerd voor zittingsdagen. Bron: CBS)
Daar komt bij dat de maandelijkse praktijk grilliger is dan de jaarcijfers doen vermoeden. Ten opzichte van mei gingen er in juni juist vijftien bedrijven méér failliet. Een dalende trend over twaalf maanden en een oplopende reeks over de laatste weken kunnen dus prima samengaan.
Wat opvalt: de sectoren waar de meeste bedrijven omvallen, zijn niet de sectoren die het economisch slecht doen. De industrie veerde in het tweede kwartaal terug uit krimp, en vervoer en opslag valt onder de best presterende bedrijfstak van het kwartaal, het CBS meet die samen met handel en horeca. Juist die twee noteerden in juni de hoogste faillissementsgraad: de industrie bijna verdubbeld (van 16,7 naar 32,7), vervoer en opslag ruim verdrievoudigd. In de bouw is het beeld logischer: krimpende productie én een faillissementsgraad die opliep van 13,4 naar 19,0.
Groei en shake-out sluiten elkaar dus niet uit. In een sector die volume wint maar op marge inlevert, vallen de zwakste spelers als eerste om. Voor wie risico's in de portefeuille beheert, betekent dat iets ongemakkelijks.
"De sector doet het goed" is geen enkele geruststelling over de debiteur die daadwerkelijk voor u staat. Een transporteur met een handvol vaste klanten in de logistiek vaart in 2026 een heel andere koers dan een adviesbureau dat zijn geld verdient in de zorg. Wie puur afgaat op het landelijke gemiddelde, kijkt naar de verkeerde cijfers.
De stille druk op de consument en de ZZP'er
Niet alleen bij bedrijven, ook in de portemonnee van particulieren is de druk voelbaar. De inflatie liep in juli op naar 3,1%, volgens de snelle raming van het CBS. De stijging komt vrijwel volledig door energie en motorbrandstoffen, die 9,7% duurder waren dan een jaar eerder. Om te vergelijken: in februari, vóór het conflict in het Midden-Oosten, lag de inflatie op 2,4%. Dat hakt er direct in bij huishoudens met toch al slanke marges.
Het Nibud vangt die dagelijkse realiteit glashelder in cijfers:
| Kernindicator (Nibud) | 2024 | 2026 |
| Kon een rekening niet betalen | 17% | 25% |
| Komt moeilijk rond | 32% | 38% |
| Maakt zich zorgen over de eigen financiën | 27% | 33% |
| Jongvolwassenen die moeilijk rondkomen | 40% | 54% |
(Bron: Nibud. Geldzaken in de praktijk 2026, gepubliceerd 23 juni 2026, onder 2.515 Nederlanders van 18 t/m 75 jaar)
Bij lage inkomens tikt dat percentage 'moeilijk rondkomen' inmiddels zelfs aan op 62%.
Wat dat betekent voor openstaande vorderingen? Twee dingen vallen op:
- Weinig vlees op de botten: Een derde van de huishoudens heeft nog geen €2.500 op de plank liggen. Bijna een kwart moet het zelfs stellen met minder dan duizend euro. Van een buffer is dus nauwelijks sprake als er onverhoeds een tegenvaller op de mat valt.
- Problemen komen zelden alleen: Meer dan de helft liep tegen minstens één betaalprobleem aan, maar 31% kampte direct met drie of meer kwesties tegelijk. De gelijkenis met de zakelijke markt is treffend: het gemiddelde beweegt traag, terwijl een specifieke groep keihard wegzakt.
Daar komt de dynamiek op de arbeidsmarkt bij. De werkloosheid mag dan op papier dalen naar 3,9%, onder de motorkap rommelt het.
Het aantal ZZP'ers krimpt al zes kwartalen op rij: 131.000 minder dan in het vierde kwartaal van 2024. Dat is geen conjunctuurverhaal, maar een beleidsverhaal. Eind 2024 werd het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid opgeheven, en het CPB voorspelde toen al een daling van ongeveer 130.000. De meeste van die mensen zijn niet omgevallen, ze zijn in loondienst of uitzendwerk gegaan.
Let daarbij op welk cijfer u leest. De Kamer van Koophandel telde over hetzelfde kwartaal juist 12.000 ZZP'ers erbij. Beide kloppen: de KVK telt inschrijvingen in het Handelsregister, inclusief bijverdieners, het CBS telt wie zijn hoofdbaan als zelfstandige heeft.
Uit cijfers van het Nibud blijkt dat 81% van de mensen in loondienst grip ervaart op de eigen inkomsten, tegenover slechts 68% van de zelfstandigen. Juist de groep die momenteel hard in aantal afneemt, heeft het minste zicht op de eigen geldstroom. Gevolg voor u als crediteur: de lijn tussen "het komt volgende week wel" en "het lukt echt niet meer" is bij een ZZP'er angstaanjagend kort.
Wat dit vraagt van modern credit management
De conclusie na zeven maanden van 2026 kan niet zijn dat de vlag uit kan. De onderlinge verschillen worden simpelweg te groot. Wie nog werkt met generieke aannames, betaalt de rekening achteraf. Zes dingen die we u aanraden:
- Kijk naar de sector, niet naar de omvang
Als het faillissementsrisico tussen bedrijfstakken meer dan dertig keer verschilt, heeft het geen zin om uw portefeuille alleen op te knippen naar omzet of ordergrootte. - Bepaal uw focus
Een miljoen euro verspreid over dertig uiteenlopende sectoren is een heel ander verhaal dan datzelfde miljoen geparkeerd in de industrie en de transportwereld. - Neem afwijkend betaalgedrag serieus
Oplopende doorlooptijden, vage smoesjes of appjes om uitstel zijn de kanaries in de kolenmijn. Tegen de tijd dat er een vonnis ligt en een deurwaarder kan executeren, bent u vaak al te laat. - Ken uw wettelijke speelruimte
De betaaltermijn tussen het grootbedrijf en MKB ligt al enige tijd vast op maximaal 30 dagen. Een langere afspraak is nietig en wordt automatisch teruggezet naar 30 dagen. Tussen ondernemers onderling is de wettelijke standaard eveneens 30 dagen. Contractueel mag u tot zestig dagen gaan, en langer alleen als dat niet kennelijk onbillijk is tegenover de schuldeiser (art. 6:119a lid 5 BW). - Escaleer sneller, niet harder
In een markt met oplopende sectorrisico's wint snelheid het altijd van spierballen. Wacht u te lang met doorpakken, dan sluit u achteraan in de rij. - Onderscheid onwil van pech
Met bijna een kwart van de huishoudens op minder dan €1.000 aan reserves, is een openstaande rekening vaak puur een liquiditeitskwestie. Een haalbare betalingsregeling levert uiteindelijk meer op dan een incassotraject dat de schuldenberg alleen maar verder opstuwt. Dat is geen soft gedrag, dat is gewoon slim rekenen.
Sinds de Wet kwaliteit incassodienstverlening is die afweging bovendien geen kwestie van smaak meer. Een geregistreerd incassobureau is verplicht rekening te houden met de situatie van de debiteur.
Incasso wordt vaak gezien als het sluitstuk van een proces dat is misgegaan. In een economie die zo ongelijk verdeeld is als deze, is dat een gemiste kans. De meeste informatie over een debiteur is beschikbaar lang voordat er een aanmaning nodig is. Het gaat erom of je daar iets mee doet. • Arjan Stigter, CEO Ultimoo
Waar we de komende maanden op letten
Of dit kwetsbare evenwicht standhoudt, hangt vooral af van drie ontwikkelingen:
- De energieprijzen: De abrupte sprong op jaarbasis laat zien dat de rust op de energiemarkt wankel is. Als dit doorzet, voelen zowel huishoudens als energie-intensieve bedrijven dat direct in de kern van hun bedrijfsvoering.
- De investeringsbereidheid: De investeringen in materiële vaste activa krompen in april en mei op jaarbasis, terwijl ze in de kwartaalrekeningen juist stegen. Welke van die twee wint, zegt iets over hoeveel buffer uw debiteuren opbouwen.
- De maandelijkse faillissementslijn: Laat u niet blindstaren op de fraaie jaar-op-jaardaling. De faillissementsgraad schommelt sinds begin 2025 zonder duidelijke richting, juni kwam uit op 8,1. Interessant wordt het pas als de reeks daar structureel bovenuit komt.
Het plaatje voor de tweede helft van 2026 is er een van contrasten. Aan de bovenkant groeit de economie en consumeren huishoudens meer. Aan de onderkant verdrievoudigen de risico's in specifieke hoeken en stapelen de problemen zich op bij huishoudens zonder buffer. Wie in dat speelveld blijft sturen op landelijke gemiddelden, vaart blind.